Kort verhaal: De goudroof

Foto: epSos.de

De boodschappentas stond onaangeroerd op dezelfde plek als waar ze hem die ochtend subtiel had neergezet. Compleet met boodschappenbriefje, dat ze op zo’n manier uit de tas had laten steken dat hij het niet zou kunnen missen. Maar dat had hij toch gedaan.

Ze twijfelde. Moest ze hem erop aanspreken? Inmiddels waren ze al zover dat hij, als zij verhaal kwam halen waarom hij weer een hele dag had zitten lummelen, niet eens meer een smoes verzon. Waarom zou hij ook? Ze wisten allebei precies waar ze aan toe waren.

‘Nou, dan ga IK maar boodschappen doen’ riep ze met een boze ondertoon in haar stem. Er kwam geen reactie uit de huiskamer. Natuurlijk niet. Met een woest gebaar greep ze de boodschappentas van het bijzettafeltje in de hal. Zichzelf vervloekend. Met haar bespottelijke pogingen vanmorgen om dat lullige briefje exact zo in de tas te krijgen dat hij het zou moeten zien. Het briefje zakte steeds naar de bodem van de tas en uiteindelijk had ze een lege fles gebruikt als ondersteuning. Was ze minuten mee bezig geweest. Zielepoot. Wat een gek woord eigenlijk. Voor ze de deur nadrukkelijk achter zich dicht trok, keek ze snel in de spiegel. Zoals altijd probeerde ze zichzelf door de ogen van een ander te bezien. De afgelopen jaren werd ze daarbij niet gespaard. ‘Saaie vrouw die tegen de overgang aan zit en dat probeert te verbloemen met veel te opzichtige jas’ beet ze zichzelf zachtjes toe.

In het donkere fietsschuurtje drukte ze tevergeefs op de lichtschakelaar. Godsamme, ook dat nog. Even liet ze letterlijk haar hoofd hangen. Maar niet te lang. ‘Gek dat je zegt dat de moed je in de schoenen zinkt terwijl het juist altijd je hoofd is dat zakt, dacht ze analytisch terwijl ze met grof geweld haar fietsstuur uit dat van hem probeerde te trekken.

Op weg naar de Albert Heijn zette ze haar masker van leuke vlotte vrouw die niet te beroerd is om door weer en wind boodschappen te doen op. Automatisch groette ze iedereen die ze van gezicht kende. ‘Hé, hallo, heeej, hallo!’ De groene kwastjes aan haar jas flapperden. ‘Pipo de clown en Mama-loEE’ kwam in haar op. ‘Maken van hun leven een heerlijk ratjetoe. En da’s een waarheid, da’s een waarheid als een koe’, rijmde ze er achteraan. Hoewel, laat dat heerlijk maar zitten. God, nou moest ze echt ophouden. Oké, haar huwelijk was niet bepaald je-dat, maar zo erg was het nou ook weer niet, sprak ze zichzelf toe terwijl ze haar fiets tegen een muur zette en gewapend met haar felroze, rieten tas, jaren geleden gekocht tijdens een heerlijke vakantie in de Provence, naar de Vismarkt liep.

Voor de derde keer zette hij thuis de Divine Comedy op. Misschien dat zijn favoriete band hem wat kon opfleuren. Waarom gingen de dingen zoals ze gingen? Waarom liet hij haar langzaam tussen zijn vingers doorglippen, terwijl ze potdomme het aller, allerbelangrijkste in zijn leven was? Het enige belangrijke eigenlijk, nu hij geen werk meer had. Hij zuchtte diep. Dat werkeloos zijn er zo in zou hakken had hij nooit kunnen bevroeden. In het begin had hij er zelfs naar uitgekeken. Het leek hem wel lekker, even een tijdje niks doen na jarenlang keihard werken. Lege dagen voor je hebben waarin je helemaal zelf kon bepalen wat je ging doen. Medelijden met de buren hebben die allemaal rond acht uur ’s ochtends in hun auto’s klommen, op weg naar de file. Nana-nana-na. Nieuw  werk kwam vanzelf wel weer om de hoek zeilen, daar was hij van overtuigd.

Maar van meet af aan was eigenlijk niets zo gegaan als hij verwacht had. Allereerst bleken ze er financieel veel meer op achteruit te gaan dan gedacht. Wist hij veel dat het UWV een maximaal dagtarief hanteerde. Hij had dit ook  nooit eerder aan de hand gehad. Het bleek behoorlijk wennen om niet meer gewoon alles te kunnen kopen waar je zin in had. Daar voelde hij zich schuldig over, vooral naar Emma toe. Zij werkte zich nog steeds te pletter, maar moest door hem nu ook op de centen letten. Ondertussen hijgde het UWV constant in zijn nek. Eerst nam hij het niet zo nauw met zijn sollicitatieplicht en draaide hij dagen achter elkaar alleen maar muziek. Maar toen hij wel echt ging zoeken, kreeg hij tot zijn verbazing de ene afwijzing na de andere. En hoewel hij het aan niemand zou toegeven, kwetste hem dat tot op het bot. Hij, de veelbelovende man. Dat was hij altijd al geweest, hardwerkend en populair bij de vrouwen omdat hij zo integer was. Hij zag ze wel kijken, vroeger. Ze wilden allemaal wel zo’n vent die zich vrouwvriendelijk en bescheiden opstelde, maar ondertussen  mooi de chef was en nog een lekker ding ook.

En moest je nou kijken. Solliciteerde hij naar de één of andere kutbaan, zwaar onder zijn niveau, en dan werd hij niet eens uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek. WaarOM niet? Hij was nog steeds relatief jong, hij zag er nog steeds goed uit, hij had zich nog steeds in voorgaande jaren het schompes gewerkt en bewezen dat hij competent was, WAT was er mis met hem? Het was hem oprecht een raadsel. En ondertussen ging zijn huwelijk naar de knoppen. Want zij had het ook. Niet dat ze het ooit zou zeggen, maar hij voelde haar minachting. Hij stelde haar teleur. Haar geloof in hem brokkelde langzaam af. Sinds hij niet meer werkte zakte hij beetje bij beetje in haar achting. Omdat hij slappe hap werd. Elke dag nam hij zichzelf voor er de schouders onder te zetten. Kom op nou. Doe je best. Geef jezelf een schop onder je kont en haal die boodschappen gewoon. En niet dwars liggen, simpelweg halen wat er op het briefje staat. Maar hij kon het niet, hoe graag hij ook wilde, hij kreeg het niet voor elkaar. Hij draalde bij het bijzettafeltje, met daarop de felroze, rieten boodschappentas. Olijven, fetakaas, de chardonay uit de aanbieding. Fuck you, haal het zelf. Terwijl hij zichzelf erom verachtte, trok hij om één uur ’s middags al de fles port open. De muziek schalde door de kamer, maar hij genoot er niet meer van. Honderden cd’s en oneindige schatkamers op Spotify, maar hij voelde de muziek niet meer. Haar niet meer. Niets was wat het ooit geweest was. Ging hij nou een potje zitten grienen? Het leek er wel op. God, wat was hij een zielepoot.

Emma betrad de Vismarkt. Voor de drie miljoenste keer. Haar hele leven leek wel om die Vismarkt heen te draaien. Geen wonder, want alles wat er in de stad te beleven viel, was hier. Als jong meisje ging ze vaak naar de fontein in het midden van het plein. Mensen kijken die hun inkopen op de markt deden, daartoe aangespoord door marktlui die een wedstrijdje deden wie de luidste stem had. ‘Kommmm d’r maar bij mensen, een hele KILO prei, prachtige witte prei, OCH,OCH,OCH, kijk dat liggen, voor maar 50 centjes mensen! Kom erbijjjjj.’

Met mooi weer kon ze uren op de rand van de fontein zitten, haar ene handje in het water dat door gebeeldhouwde vissen werd uitgespuugd en met de andere de vele duiven van zich afslaand, die hondsbrutaal bij iedereen kwamen checken of er nog iets te kanen viel. Ratten met vleugels noemde haar vader de duiven vol afkeer. Het liefst zou hij ze allemaal met zijn luchtbuks afknallen riep hij altijd met gebalde vuist als zijn auto weer eens onder de duivenstront zat. Emma geloofde dat onmiddellijk. Niet voor niks was het de grote hobby van haar vader om de katten uit de buurt te belagen.
In de enorme conifeer die bijna het hele terras in de achtertuin in beslag nam, had hij met de heggenschaar speciaal een soort inhammetje geknipt. Een schuilplaats, van waaruit hij de achtertuin overzag. Elke zondag, na de warme middagmaaltijd, zette Emma’s vader een door hem in camouflagegroen geverfde keukenstoel in de inham en nam plaats. Op zijn hoofd steevast het vale hoedje, afgezet met een fazantenveertje, dat hij ooit van Sinterklaas had gekregen. Naast zijn stoel de luchtbuks. Hele zondagmiddagen zat hij daar en schoot op alles wat bewoog. Alleen bewoog er bijna niks. Eén keer meende hij een kat te raken en die gebeurtenis werd nog vele jaren na dato gememoreerd. ‘In een fractie van een seconde keken we mekaar aan. Die kat had van die gelige ogen. Ik leg aan en BAM, raak! Gillen, dat beest, gillen. Waar ik hem geraakt heb weet ik niet, want dat kreng was meteen weg, vanzelf. Nooit meer gezien.’ Waarna hij zichzelf nog maar eens vergenoegd een Hooghoudt dubbele Graan Genever inschonk terwijl Emma’s moeder haar klaagzang inzette over de eindeloze zondagmiddagen en waarom ze nooit eens wat leuks gingen doen. ‘Hou toch op met zeuren mens, dit ís leuk, alleen zie jij nooit ergens de lol van in. ’T Is eigenlijk net vissen, maar dan anders.’ Emma’s moeder, die graag het laatste woord wilde hebben, sputterde steevast even na. ‘Ging je maar vissen Henk, dan kon ik er tenminste naast  zitten met m’n puzzelboek. Nu schaam ik me dood voor de buurt.’

Onwillekeurig loopt Emma wat langzamer over het plein naar de supermarkt, want vanuit een krocht die ze veilig dicht gesoldeerd dacht te hebben, doemt een andere herinnering op. Haar eerste kus. Ook die kreeg ze op de Vismarkt. Emma’s middelbare schooltijd was zeker in het begin geen succes. Na de geborgenheid van de basisschool was het lyceum waar ze belandde veel te massaal en al in de brugklas voelde Emma zich zo ontheemd dat ze begon te spijbelen. Uren zat ze in café Het Galjoen. Waarom ze dat deed kon ze ook toen al niet echt verklaren. Alsof het zo leuk was om helemaal alleen in een naar schraal bier ruikend café te zitten.

Nou ja, alleen. De kroegbaas was er ook altijd, een klein mannetje met wallen onder zijn ogen en een veel te strakke spijkerbroek. Sjors. Emma had geen idee hoe oud hij was. Dat kon haar ook niks schelen, want hij zag er niet uit met die rare zwarte pijpenkrulletjes en die eeuwige dikke gouden ketting om zijn nek. ‘Wat doe je hier meissie’, vroeg hij haar de eerste keren dat ze kwam. ‘Jij hoort in de klas te zitten, bij leeftijdsgenoten. Wat zit je hier nou eenzaam te zijn?’

Toen Emma gewoon bleef komen gaf hij haar regelmatig een gratis warme chocomel. Na een paar maanden kwam hij steevast naast haar zitten en vroeg haar naar haar leven. Emma merkte dat hij oprecht geïnteresseerd was. Hij wilde serieus weten hoe het kon dat zo’n jong meisje zoveel uur weg kon blijven. Weg van alles. ‘Wat zeg je dan thuis?’ vroeg hij terwijl hij eindeloos de schakels van zijn gouden ketting bevoelde.
In eerste instantie verborg Emma zich in haar zwart-witte Palestina sjaal. Een honderdjarige schildpad was ze, die zijn gerimpelde kop naar believen in zijn schild terug trok. Maar daar trapte Sjors niet in. Dus ging ze met de billen bloot en vertelde over haar alcoholische vader die al ruim een jaar totaal niet meer bijhield wat zijn dochter uitvrat. Over haar sloverige moeder die, als Emma   ontwaakte, al stond te poetsen. En maar klagen ondertussen. ‘Als ik dit van tevoren had geweten Em, en daar bedoel ik niks mee, maar als ik van tevoren had geweten dat dit het zou zijn, dan was ik dus nooit getrouwd en had ik al helemáál nooit kinderen gekregen. Een doffe ellende, dat is het. Altijd maar sloven en waarvoor? Voor wie? Begin d’r nooit aan Em, maar eet je wel je gekookte eitje schat, anders wordt ie koud.’

Als Emma in café Het Galjoen haar moeder imiteerde, hinnikte Sjors op zijn barkruk van het lachen. Hij sloeg zich zo hard op zijn knieën dat zijn in sneakers-avant-la-lettre-gehulde voeten de lucht in schoten. Emma voelde zich gevleid en begon bewust anekdotes te onthouden. Ze pikte zelfs een stofdoek van haar moeder om na te doen hoe ze die ’s ochtends regelmatig in de huiskamer aantrof: met haar enorme kont naar Emma gekeerd, op haar knieën, de jurk van inspanning enigszins omhoog gesjord, de achterkant van de poten van de neplederen bank afnemend. Sjors favoriet was die van ‘tante Lammy’ van twee huizen verderop, die op een kwade dag met de Opel Kadett over haar eeuwig bibberende dwergpincher Tippie heen reed. ‘Ik keek nog in m’n achteruitkijkspiegel, maar ik zag hem niet, ik zag hem ECHT niet’, huilde tante Lammy. Haar vader had zowaar meelevend geknikt, maar éénmaal thuis wreef hij in zijn handen en zei iets als: ‘mooi dat we van die rat af zijn. Dat beest zat altijd bij een ander in de tuin te schijten als ie de kans kreeg.’

Inmiddels voelde Emma zich zo thuis in Het Galjoen dat het net leek of het café ook een beetje van haar was. Tot ze zich op een dag in de dames wc voor de spiegel stond op te maken als Nina Hagen. Haar haren had ze al zwart geverfd  en nu omrandde ze haar ogen en stiftte ze haar lippen. ‘Ich bin schwanger, mir geht zum kotzen’, riep ze naar haar spiegelbeeld. Ter illustratie boog ze zich kokhalzend naar de wasbak. In een flits zag ze de zwarte pijpenkrulletjes van Sjors achter zich opdoemen. Wat keek hij raar! Terwijl ze nog half voorover gebogen stond greep hij haar van achteren vast en kuste haar ruw in haar nek. Ze voelde een harde bobbel in zijn veel te strakke spijkerbroek en probeerde zich los te wurmen, maar hij was veel sterker en draaide haar vuurrode lippen naar zich toe. Voor ze zich realiseerde wat er gebeurde had hij zijn rubberen tong al in haar mond gewurmd. Ze probeerde te gillen, maar kreeg er niet meer uit dan een zacht kermend ‘mmmm-wha-mmm’. Na wat een eeuwigheid leek te zijn, maar in werkelijkheid niet langer dan een minuut  duurde, liet hij haar even onverwacht los als hij haar gegrepen had. Zijn armen slap langs zijn lichaam. ‘Sorry, ik weet niet wat me bezielde. Ik dacht dat jij ook wel wou.’ Nadat Sjors de dames wc had verlaten, bleef Emma nog een tijdlang staan. Roerloos. Starend naar de in de deur gekerfde leuzen. ‘U mag dan wel Napoleon zijn, maar haal uw hand uit mijn bloesje!’

Nooit zette ze meer één stap in café Het Galjoen. Wat er van Sjors geworden was wist ze niet. Wel dat ze na dit voorval helemaal los ging. Talloze jongens en kerels werkte ze af. Tot ze gered werd door Richard. Hé, potverdomme, waarom dacht ze hier nu allemaal aan? Ze was die gek van een Sjors allang vergeten. Kom op zeg, nou iets vrolijkers graag.

Emma pakte haar boodschappenbriefje. Ze was er bijna. Het leek haast wel of de Albert Heijn al dicht zat, er was geen kip. Logisch, met dit weer. Drie panden verderop zat de goudwinkel van Mehmet. Ze was een paar weken geleden nog bij de opening geweest. Mehmet had bij haar in de klas gezeten en ze wist hoe hard hij had moeten werken om zijn droom te kunnen realiseren. Als ze het iemand gunde was hij het wel. Een scheet van een vent, die Mehmet.  Waarschijnlijk  een beetje té lief. Ooit, tijdens een les maatschappijleer had hij met een kleur van verlegenheid opgebiecht dat hij het liefst sieraden zou willen ontwerpen. Het was hem op de eeuwige hoon van zijn mannelijke klasgenoten komen te staan en kirrende geluidjes van de meisjes. Zijn vader wilde dat Mehmet in de metaalbewerkingsfabriek ging werken waar hijzelf zijn rug had verpest, maar Mehmet zette door. Jaren deed hij rotbanen, terwijl hij in de avonduren een opleiding tot edelsmid volgde. Het was buffelen geweest, maar de aanhouder wint. En nu hielp Mehmet’s vader zelfs mee in de winkel. Lieve man ook. Emma pakte haar speciale boodschappenmuntje en trok een kar uit de rij.  De deuren van de Albert Heijn gingen al uitnodigend open, maar opeens stond ze stil. Alsof iemand op de pauzeknop van de dvd-recorder had gedrukt. Ze hoorde schoten. En die kwamen uit de goudwinkel van Mehmet.

Is dat nou een bijna-dood ervaring? Als je jezelf opeens van bovenaf kunt observeren? Wat gebeurt er dan in je hersenpan? Toen Emma haar oude klasgenoot Mehmet bloedend uit zijn winkel zag komen rennen, werd ze even van de wereld weggezogen. Alsof ze door een onzichtbare ufo werd opgetild, zonder haar zicht op de aarde te verliezen. Ze zag zichzelf staan. In haar veel te vrolijke groene jas met kwastjes. Voor de schuifdeur van de Albert Heijn die van de zenuwen maar open en dicht bleef gaan.
‘Laat me los godverdomme. Ik schiet je kapot. Lame los, lame los, LAME LOS!’. Een kleine man, helemaal in het zwart gekleed, met een muts over zijn hoofd getrokken, lag te spartelen op de harde stenen van het plein. Mehmet zat bovenop hem. Het kleintje probeerde zich los te rukken, maar Mehmet was veel te groot en sterk. Mijn god, Mehmet.

Het bloed stroomde opeens wild door Emma’s aderen en bracht haar weer bij haar positieven. Bloed! Het gutste uit het rechterbeen van Mehmet. Emma keek er gefascineerd naar. Ze wist niet dat een mens zo hard kon bloeden. Alsof je een kwast met rode verf in de gootsteen afspoelde onder een hard lopende kraan. Het bloed van Mehmet trok een spoor over de klinkers van het plein. Emma volgde het met haar ogen. Aan het eind ervan zat een man. Verdwaasd. Zonder jas in de stromende regen. Hij wiegde zichzelf heen en weer terwijl hij met zijn linkerarm zijn rechterarm ondersteunde. De vader van Mehmet. Ook gewond zo te zien.

’O mijn god, Ik moet iets doen, ik moet iets doen.’ Met haar felroze boodschappentas voor haar buik gevouwen, alsof het een wapenschild was, liep Emma weifelend op Mehmet af. Nu pas hoorde ze de geluiden die hij produceerde. Een soort gesis was het. Een Turks stoombad. Mehmet had zijn handen om de nek van de kleine zwarte man geklemd en maakte pulserende bewegingen, onderwijl Turkse verwensingen lispelend. Steeds opnieuw. Het begon zacht, als het voorzichtig opschenken van water op gloeiend hete stenen en mondde uit in een jankende klaagzang die door merg en been ging. ümgüssssjoksaevet, ümGüsssjoksaEvet, ÜmGÜssssJokKKsaEVET, ÜMGÜSSSSSJOKKKSAEVET. Hoe harder Mehmet praatte, hoe steviger hij de keel van zijn slachtoffer dicht kneep.

De man in het zwart lag er beroerd bij. Zijn gezicht was nog steeds grotendeels bedekt door de bivakmuts, maar het stuk huid dat Emma zag, had een blauwige glans. Zijn armen lagen gespreid aan weerszijden van zijn lichaam. Als een teken van volledige overgave. Vlakbij de linkerhand van de man lag een klein pistool. Tijdens het gevecht met Mehmet was de man één van zijn sneakers verloren en de schoen lag nu op zijn kop op de natte keien, ter hoogte van zijn dij. Als een zielige trouwe hond, wachtend tot zijn gewonde baas weer op zou staan. Maar dat ging niet gebeuren. De man in het zwart gaf geen enkel teken van leven. Raar. Ze had even het gevoel iets in de roerloze gestalte te herkennen.

‘Zeg, ehm, hallo Mehmet. Rare vraag misschien, maar, kan ik je misschien ergens mee helpen? ’ Terwijl Emma deze woorden zo rustig en relaxt mogelijk uitsprak, (vooral geen extra paniek in de tent leek haar de beste strategie, hoewel ze de folder ‘wat te doen als een kennis iemand wurgt op het plein’ net even niet in haar roze boodschappentas had zitten), hoorde ze hoe onsterfelijk belachelijk ze zichzelf maakte. Moest je haar nou zien. Over een zwaar bloedende man gebogen die zojuist waarschijnlijk een ander van het leven had beroofd en dan vragen of hij misschien nog een plakje worst bliefte.

Maar het werkte wel. Mehmet liet los en keek haar verbijsterd aan. Als in een droom zag hij de kleine man in het zwart onder zich. Zag hij zijn vader, nog steeds wiegend op de grond. Met een ruk kwam Mehmet terug in de realiteit. Zonder zich om de pijn in zijn been te bekommeren, klom hij van zijn slachtoffer af. ‘Emma, zorg dat deze vent nergens heen gaat. Hij heeft ons zojuist overvallen, die klootzak. Ik ga 112 bellen en kijken hoe het met mijn vader is. Blijf jij hier.’

Stram in het gelid deed Emma wat haar opgedragen was. Even zag ze zichzelf weer van bovenaf en zoomde in. Een middelbare vrouw met roodgeverfd haar, een glanzende groene jas en een grote felroze rieten tas. In de stromende regen naast een roerloze, in het zwart geklede man met een bivakmuts op. Sjezus, wat was er mis met haar, haar hersens werkten als dikke stront. Ze moest die vent helpen, overvaller of niet. Misschien leefde hij nog wel. Kwam die EHBO cursus toch nog van pas. Ze bukte zich en trok met één zwiep de bivakmuts van zijn hoofd. Haar adem stokte. ‘Dat is dus echt zo, registreerde ze ondertussen. Dat je letterlijk naar adem hapt als je iets schokkends ziet.’ Want schokkend was het. Haar intuïtie had haar niet bedrogen, ze kende deze man, al was hij nu blauw aangelopen.

Tot haar eigen verbazing voelde Emma zich ijzingwekkend kalm worden toen ze zag wie de man in het zwart was. Sterker nog, ze zag er het komische wel van in. ‘Wie had dat kunnen denken Sjors, dat ik je na al die jaren nog eens zou terugzoenen ‘, zei ze hardop nadat ze een heel zwakke pols bij hem had geconstateerd. Niet nadenken nu, gewoon handelen. Ze duwde het hoofd van Sjors een beetje naar achteren zodat zijn mond vanzelf openviel. Daarna ritste ze zijn zwarte fleece jack open om hem meer ademruimte te geven. Een gouden schakelketting floepte naar buiten. ‘Geen haar veranderd’ mompelde ze, hoewel dat niet helemaal waar was. De zwarte pijpenkrulletjes van Sjors waren behoorlijk grijs geworden. Voordat ze haar rood gestifte lippen op de paarse van Sjors perste, haalde Emma nog eens diep adem. ‘Godsamme, dit verzin je toch niet’, dacht ze terwijl ze automatisch de seconden telde waarin ze nieuw leven in Sjors magere borstkas blies. Ze proefde verschraald bier en zag zichzelf weer als tiener in de kleine wc staan nadat Sjors zich aan haar had opgedrongen. ‘Dat heet aanranding smeerpijp. Ik had je meteen moeten aangeven. Je hebt geen idee wat je me toen aangedaan hebt. 4-5-6-. Maar blijkbaar was aan jonge meisjes zitten met die vieze handjes van je niet opwindend genoeg meer. Wat dacht je? Kom, laat ik op latere leeftijd eens beginnen met gewapende roofovervallen? 1-2-3-4-5-6. Of deed je dit er altijd al naast, vuile klootzak?’ Emma merkte dat ze Sjors onwillekeurig zachtjes door elkaar schudde. Oeps, dat was nou ook weer niet de bedoeling. Sjors moest blijven leven. Lang genoeg in ieder geval om zijn excuses aan haar en Mehmet aan te bieden en te zien dat Emma een goed leven had gekregen,terwijl dat van hem alleen maar miezeriger was geworden.

De borstkas van Sjors ging inmiddels regelmatig op en neer. Hij haalde reutelend adem. Emma hief haar hoofd omdat ze een ambulance hoorde gillen. Ze zag haar felroze rieten boodschappentas op de natte keien staan. De tas die onlosmakelijk aan haar mooie leven verbonden was. Ze had hem samen met Richard op de kleurige markt van Vaison la Romaine gekocht. Wat waren ze gelukkig toen. Samen konden ze de hele wereld aan. Met haar knieën op de natte klinkers besefte Emma opeens hoezeer ze Richard tekort had gedaan de afgelopen tijd. De man die haar altijd door dik en dun had gesteund. Die haar onbevooroordeeld uit de drek had getrokken  nadat ze uit pure ongelukkigheid de ene vent na de andere had afgelebberd. Ries, waarmee ze zo kon lachen. De man die haar altijd al zijn vertrouwen gaf. Het was waar, ze moest het onder ogen zien: ze had hem gekleineerd. Het was schandelijk, maar ze moest bekennen dat ze Richard als haar mindere was gaan zien sinds hij niet meer werkte. Met haar drammerige boodschappenbriefjes en huishoudelijke taakjes. Niks geen onvoorwaardelijk vertrouwen van haar kant, laat staan steun. Het schaamrood vloog naar haar wangen en ze voelde een steek door haar hart gaan. ‘Een steek voelt ook echt zo, weer een cliché dat waar blijkt te zijn’ constateerde ze droogjes. Meteen daarna werd ze omhoog getrokken en bijna gesmoord in haar welbekende armen.

‘O God Emma, ik dacht dat je dood was. Ik ben zo blij dat je nog leeft, zo blij.’ Richard klemde Emma nog steviger vast en barstte met zijn lippen tegen haar roodgeverfde haren aan in huilen uit. Zijn schouders schokten. ‘Ik hou zo van je Em, zoveel, zoveel meer dan je weet. Het ging zo slecht tussen ons de laatste tijd en ik dacht even dat ik je nu nooit meer kon vertellen dat je mijn alles bent.’ Richard ging zo mogelijk nog harder huilen. Met zijn linkerhand veegde hij de draden snot weg die met bakken tegelijk uit zijn neus kwamen. Om daarna met dezelfde hand teder over Emma’s wang te strelen. ‘Lekker’, dacht Emma en zag zichzelf en Richard staan. Een vrouw van bijna middelbare leeftijd met klodders snot op haar wang in een besmeurde, veel te vrolijke groene jas, met een snikkende man in haar armen. En een reutelende man op de grond. Nu Sjors weer adem had, maakte hij daar gebruik van ook. Hoestend en proestend probeerde hij bij kennis te komen, daarbij woest knipperend met zijn ogen. Emma negeerde de man in het zwart en concentreerde zich op haar eigen man. ‘Hoe wist je dat ik hier was Ries’, vroeg ze bedaard. ‘Ik werd gebeld door Freek dat jij bovenop een kerel op de Vismarkt zat terwijl je bloedde als een rund.’ Emma keek om zich heen en nu pas zag ze het legertje mensen dat op niet eens gepaste afstand naar het tafereel stond te gluren. Met hun iPhones maakten ze de ene foto na de andere. Ze zag Mehmet en zijn vader op eigen kracht in een gereedstaande ambulance stappen, ondersteund door twee politiemannen. In de lucht cirkelde een politiehelikopter. Het ding maakte een hels kabaal, maar toch hoorde ze nog de kreet die Richard slaakte. ‘Bloed! Shit, je bloedt, je hele jas zit onder. Waar doet het pijn Em, zeg het!’ Wanhopig keek Richard om zich heen en zag twee ambulancebroeders komen aanrennen met een brancard in hun handen geklemd. ‘Hier!’ gilde Richard en zwaaide uit alle macht naar de broeders. ‘Hier is een slachtoffer, red haar alstublieft.’

Voor Emma wist wat er gebeurde werd ze op de brancard gelegd en in recordtempo naar de ambulance gebracht. Eénmaal binnen wilde ze overeind komen, maar Richard duwde haar zachtjes maar beslist weer terug. ‘Liggen Em, rustig blijven, alles komt goed. Dat beloof ik.’ Richard pakte haar hand en zijn ogen werden opnieuw vochtig. De deuren van de ambulance werden weer geopend en Sjors werd naar binnen gedragen. Nog steeds blauw aangelopen, piepend en knarsend als een houten deur uit het lood, maar wel bij kennis. Sjors keek Emma aan en ze zag dat hij haar herkende. Aan de rechtervoet van Sjors bungelde een sneaker, zijn linkervoet was sok en schoenloos. Met grote ogen keek hij van een eveneens ingestapte politieman die een roze boodschappentas in zijn handen geklemd hield via de defibrillator naar Emma en Richard terwijl de ambulance met gierende uithalen zijn weg naar het ziekenhuis zocht. Op haar beurt keek Emma even met afkeer naar de afzichtelijke grote teen van Sjors linkervoet, zijn blauw aangelopen gezicht en de manier waarop hij raspend probeerde zoveel mogelijk zuurstof in zijn kippenborstje te pompen. Toen overzag ze de situatie. ‘Mir geht zum kotzen’ kon Emma niet nalaten Sjors toe te zingen, voordat ze in een schaterlach uitbarstte en een verbijsterde Richard hardhandig tegen zich aantrok. ‘Kom hier paniekhaas, er is helemaal niks aan de hand met mij. Sterker nog: het is nog nooit beter met me geweest en ik hou van je. Heel erg veel.’ Zachtjes zoende ze haar man op zijn lippen. De kus werd heftiger en ging over in een stevige tongzoen, onder de gegeneerde blikken van de politieman en de starende blik van Sjors. Richard tuimelde van de hel rechtstreeks de hemel in. Het ene moment zat hij thuis nog zielig te sippen over zijn afbrokkelende huwelijk, waarna het bijna ondraaglijke nieuws binnenkwam dat zijn vrouw gewond zou zijn en nu zaten ze heftig te zoenen in een ambulance. Het hart van Richard deed bijna pijn van geluk. Wel gek dat Emma heel anders ‘smaakte’ dan anders. Het leek wel alsof ze uren in de kroeg had gehangen. Het droeg alleen maar bij aan de overweldigende sensatie. Aan het gevoel dat alles nieuw en glanzend was. Gretig draaide hij zijn lippen naar die van Emma voor een tweede kus.

6 gedachtes over “Kort verhaal: De goudroof

  1. Ha Conny,
    Mooi verhaal met een goed einde. Het had van mij wel wat korter gemogen. Het middelste gedeelte had wat compacter gekund. En ik herken je er erg in. Zoals Meike al zei het zit vol met zeer “Borriaanse uitdrukkingen”. Dus dat is zeker wel een eigen stijl te noemen! Op naar het volgende verhaal zou ik zeggen.
    groetjes Elsken

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *